Joab

Uit Christipedia

Joab (= 'Jhwh is vader') is de naam van verschillende personen in de Bijbel. De bekendste is de generaal van Davids leger.

De Hebreeuwse naam is יואב, Joab, en betekent "Jhwh is vader"[1]. Het Strongnummer is 03097. De naam Joab dragen de volgende personen:

1. zoon van Seraja, de vader van degenen, die het dal der handwerkslieden bewoonden. Hij behoorde tot de stam der Keninieten en was in Juda ingelijfd. Het dal, waar Joab en de zijnen zich gevestigd hadden, lag vermoedelijk niet ver van Jeruzalem;

2. de voorvader van Obadja en 218 anderen, die met Ezra uit de Babylonische ballingschap naar het vaderland terugkeerden. De samengestelden naam van Jesua-Joab, elders Jesua en Joab geschreven, draagt de stamvader vele andere ballingen, met Nehemia teruggekeerd;

3. zoon van Davids halfzuster Zeruja, neef derhalve van David, broeder van Abisaï en Asahel.

 
 
 
 
Nahas
 
?
 
Isaï
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
?
 
Zeruja
 
David
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joab
 
Abisaï
 
Asahel
 
 

Joabs naam wordt voor het eerst vermeld in 1 Samuël 26:6 als zijnde de broer van Abisai. Deze Abisai ging met David af tot Saul in diens leger.

Slag bij Gibeon. De eerste actie van Joab zelf wordt beschreven in 2 Samuël 2. Hij voert het Judese leger aan in de strijd tegen het leger van Sauls zoon Isboseth en diens legeraanvoerder Abner. Isboseth is na de dood van zijn vader koning over Israël geworden. Hoogstwaarschijnlijk heeft Joab zich reeds tijdens Davids omzwervingen door zijn dapperheid en bekwaamheid in de strijd gunstig onderscheiden, daar deze hem in de oorlog tegen Isboseth aan het hoofd van het leger heeft gesteld. De twee legers ontmoeten elkaar bij Gibeon. Abner spreekt met Joab af dat de strijd beslist moet worden door twaalf soldaten van beide legers, om zo het aantal doden te beperken. Aan het eind van het gevecht van deze twee groepen mannen blijkt dat ze allemaal gesneuveld zijn. Daarop vallen de twee legers elkaar aan. Het leger van Juda wint de slag. Tijdens de achtervolging door het leger van Juda jaagt Asahel, de broer van Joab, Abner na, maar wordt door deze gewaarschuwd. Asahel weigert af te wijken en wordt door Abner gedood (2 Sam. 2:23). Joab en zijn broer Abisaï jagen Abner achterna. Dan spreekt Abner Joab erop aan dat hij zijn eigen volk achtervolgt; hierop staakt Joab de achtervolging en keert terug naar Hebron, waar David zetelt.

Dood van Asahel gewroken. Terwijl het oorlog is tussen het huis van Saul en dat van David besluit Abner heel Israël onder David te brengen. Daartoe gaat hij naar David in Hebron, waar hij hartelijk wordt ontvangen, zijn plan bekendmaakt en weer vertrekt. Joab hoort ervan, vertrouwt Abner niet en neemt het David kwalijk dat hij Abner vrij heeft laten heengaan. Zonder medeweten van David laat Joab Abner terugroepen, wacht hem op en vermoordt hem verraderlijk "omwille van het bloed van zijn broer Asahel" (2 Sam. 3:27).

Door David vervloekt. Na de moord op Abner wordt Joab door David vervloekt:

2Sa 3:27  Als nu Abner weder te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde rib, dat hij stierf, om des bloeds wil van zijn broeder Asahel.  2Sa 3:28  Als David dat daarna hoorde, zo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij den HEERE, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, den zoon van Ner.  2Sa 3:29  Het blijve op het hoofd van Joab, en op het ganse huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan den stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe!  2Sa 3:30  Alzo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broeder Asahel te Gibeon in den strijd gedood had. (...) 2Sa 3:38  Voorts zeide de koning tot zijn knechten: Weet gij niet, dat te dezen dage een vorst, ja, een grote in Israël gevallen is? 2Sa 3:39  Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; de HEERE zal den boosdoener vergelden naar zijn boosheid. (SV)

David strafte Joab niet, maar terecht vermoedt men toch, dat hij van nu af graag ontslagen wenste te zijn van Joab.

Jebus ingenomen. Enige tijd daarna scheen zich aan David een gelegenheid aan te bieden, om Joab als het ware ongezocht de veldheersstaf te ontnemen. Bij de belegering van Jebus wordt de hoge waardigheid van legeroverste beloofd aan hem die de Jebusieten het eerst zou slaan. Maar het was Joab die dit heldenstuk ondernam en gelukkig volbracht.

1Kr 11:5  En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.  1Kr 11:6  Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd. 1Kr 11:7  David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids. 1Kr 11:8  En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad. (SV)

Als de koning dus al gewenst had Joab te verwijderen, dan was zijn toeleg niet slechts geheel mislukt, maar bovendien had het tegendeel plaats van hetgeen hij zich voorgesteld had. Door zijn betoonde dapperheid toch won Joab te meer de gunst van het leger en het volk, en zag derhalve zijn invloed genoegzaam verzekerd.

Uria ten dode opgesteld. Op verzoek van David zendt Joab de man en held Uria (de echtgenoot van Bathseba, met wie kort geleden David overspel gepleegd heeft en die zwanger is geworden) van het front terug naar Jeruzalem. Omdat David Uria niet kan bewegen bij zijn vrouw Bathseba te liggen (en zo de schijn te wekken dat Bathseba door haar eigen man zwanger is geworden), zendt hij hem met een brief terug naar Joab. In de brief verzoekt David Joab om Uria vooraan te stellen in de aanval van de Ammonitische hoofdstad Rabba, waar deze wel moet sneuvelen, hetgeen ook gebeurt.

Coup van Absalom gebroken. Tijdens de coup van Davids zoon Absalom stuurt David zijn leger, verdeeld over de drie legeraanvoerders Joab, Abisai (de broer van Joab) en Ithai (de Gethiet), naar het leger van Absalom, dat aangevoerd werd door Amasa (de zoon van Abigaïl de zus van David en Zeruja, en dus een neef van beiden). 2 Sam. 18. David drukt hen op het hart om Absalom goed te behandelen en hem niet te doden. Absalom raakt tijdens zijn vlucht met zijn haren vast in de takken van een boom. Joab geeft dan bevel aan een van zijn boogschutters om hem te doden; deze weigert, waarna Joab drie pijlen in het hart van Absalom steekt, zodat deze sterft. Ondanks het hoogverraad van zijn zoon, die daarom de doodstraf waardig is, is David diep bedroefd over diens dood. Joab neemt hem dat kwalijk en bedreigt hem met het verlies van zijn ondersteuning, als hij niet terstond zijn houding verandert.

2Sa 19:5  Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;  2Sa 19:6  Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen. 2Sa 19:7  Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe. (SV)

Koning David geeft daaraan gevolg.

Volkstelling. Joab heeft David vergeefs gepoogd te weerhouden van de zonde van een volkstelling (1 Kron. 21). Israël werd om deze zonde gestraft.

Oproer van Seba, moord op Amasa. Later, bij de opstand onder leiding van de Benjaminiet Seba, draagt David Amasa (dien David graag als legeraanvoerder wil hebben in plaats van Joab) op om de mannen van Juda binnen een bepaalde tijd samen te roepen. Amasa is een familielid van David en Joab. Na de gestelde tijd van drie dagen is Amasa nog niet teruggekeerd. Daarop geeft David aan Joab de opdracht om Seba achterna te jagen. Het leger van Joab komt het leger van Amasa achterop en Joab begroet Amasa met een vriendschapskus en omhelst hem; daarbij steekt hij hem verraderlijk met zijn zwaard in Amasa’s rug, 2 Sam. 20:9v. Waarom Joab dit gedaan heeft is niet duidelijk, vermoedelijk omdat Joab de belangrijkste legeraanvoerder was en David hem dus eigenlijk het eerste leger had aan moeten laten voeren. Joab voelde zich gepasseerd; dit gevoel werd versterkt door de wetenschap dat Amasa ooit het leger van Absalom aanvoerde was.

Steun aan Adonia. Tot aan het einde van de regering van David blijft Joab zijn hoge betrekking bekleden, maar vreest terecht, dat hij haar licht verliezen zal, als Salomo de troon beklimt. David laat het doden van Joab liever aan zijn troonsopvolger over. Op zijn sterfbed zegt David tegen Salomo dat hij er voor moet zorgen dat Joab gedood wordt, omdat hij twee legeraanvoerders heeft gedood in vredestijd buiten de goedkeuring van de koning om. Die twee waren, aldus David, "rechtvaardiger en beter dan Joab" (1 Kon. 2:32). Salomo is echter niet de oudste zoon van David, maar wel door zijn vader aangewezen als troonopvolger. Adonia, de dan levende oudste zoon en kind uit het eerste huwelijk, is het hier niet mee eens en vindt dat hij recht heeft op de troon. Joab kiest de kant van Adonia.

Joabs dood. Joab verneemt echter dat David Salomo opdracht heeft gegeven om hem te doden; hierop vlucht hij naar de tabernakel en houdt daar de hoornen van het brandofferaltaar vast, om zijn leven te redden. Benaja, de legeraanvoerder van Salomo, roept Joab op om buiten de tabernakel te komen, dit weigert Joab ("Neen, maar hier zal ik sterven!", 1 Kon. 2:30), waarop deze op Salomo's bevel gedood wordt in de tabernakel.

1Kon 2:34  En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn. (SV)

Trouwe veldheer. In de verschillende oorlogen, door David gevoerd, is Joab voortdurend de schrandere veldheer, die ten goede raadde, de dappere krijgsman, die het leger tot heldendaden ontvonkte, de getrouwe dienaar, die zijn heer ook in de grootste nood niet verliet. Geen slag heeft hij verloren. Mede dankzij Joab heeft David zijn koningschap weten te behouden. David heeft hem echter de moorden op Abner, Absalom en Amasa kwalijk genomen.

De wapendrager van Joab was Naharai de Beërothiet (2 Sam. 23:37).

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Joab' is op 3 jan. 2017 verwerkt.

Joab, nl.wikipedia.org. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 4 juli 2020.

Voetnoot

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.