Hoofdmenu openen

Een maaltijd of maal is een hoeveelheid eten, in één keer gebruikt, of het eten ervan[1].

Wat de maaltijd in het oude Israël aangaat, zij werd op verschillende tijd en verschillend gehouden. In oudere tijden schijnen zij meer de hoofdmaaltijd 's middags gehouden te hebben (Gen. 43: 16. 2 Sam. 3: 35. 1 Kon. 20: 16); zij pleegden ook daarbij te zitten (Gen. 27: 19. Richt. 19: 6. 1 Sam. 20: 5, 24. 1 Kon. 13: 20); zo deden het ook de Egyptenaren, zoals uit oude gedenktekenen blijkt, en ook de Grieken en Romeinen in de vroege voortijd.

Houding. Dat zij, zoals de tegenwoordige oosterlingen, met onder het bovenlijf gekruiste benen op de grond of op een kleed de maaltijd gebruikten, kan men niet beweren. Stoelen en tafels behoorden althans zeker tot de meubelen die in de kamer gevonden werden (2 Kon. 4: 10).

Het liggen bij de hoofdmaaltijd werd pas in latere tijd gewoonte, en was ten tijde van Jezus algemeen (Matth.  9: 10; 26: 7. Mark. 6 : 22; 14: 3. Luk. 5: 29; 7: 37; 14: 10. Joh. 12: 2; 13: 23; 21: 20). Amos echter hekelt reeds het wellustig neerliggen op elpenbenen rustbedden (6: 4); wellicht was dit een nabootsen van Egyptische zeden. Ook de Perzen lagen aan de tafel (Esth.  7: 8). Op een bank of divan lagen 3 tot 5 etenden, zij leunden op de linker arm, strekten de ongeschoeide voeten naar achteren uit, en leunden vaak met het hoofd op de borst van degene die boven hen aanlag (Joh. 13: 23 ; 21:20. Luk. 16: 22 vgl. Joh. 1: 18).

Tafel en banken. De lage tafel was, evenals thans nog in het oosten, aan drie kanten met banken omgeven (1 Sam. 20: 29. 2 Sam. 9: 7, 12. 1 Kon. 10: 5. Ezech. 39: 20. Luk. 22: 21. Hand. 16: 34). Op de middelste was de ereplaats.

Tijd. In later tijd hield men de hoofdmaaltijd, deipnon, gewoonlijk 's avonds (Luk. 17 : 7 v.). 's Morgens nam men een ontbijt, ariston (Luk. 12 : 12. Joh. 21 : 4, 12). Vóór het eerste gebedsuur, omtrent het derde uur (9 uur 's morgens, tijd van het morgenoffer), was men niet gewoon iets te nuttigen (Hand. 2: 15); op sabbatdagen niet voor het zesde uur, wegens de vooraf plaats hebbende godsdienstoefening.

Handen wassen. Evenals nog de oosterlingen, zo wasten zich ook de Joden van later tijd voor iedere maaltijd, alsmede na het eten zorgvuldig de handen (Matth. 15 : 2. Mark. 7: 2 v. Luk. 11 : 38), waarna zij het gebed deden, of de b'racha, de zegenbede uitspraken (Matth. 14 : 19 ; 15: 36; 26: 26. Luk. 9: 16. Joh. 6: 11. 1 Tim. 4: 3 vv.), een voorbeeld uit vroegere tijd (1 Sam. 9: 13). Het herhaalde wassen hing ook of van de wijze waarop men de spijzen tot zich nam. Men nam namelijk het gekookte en opgedragen vlees met de handen uit de schotel en bracht het dan op de broodkoek, die tot bord diende, naar de mond evenzo ook de groenten (vgl. Spr. 19: 24; 26: 15). Vorken en lepels had men aan tafel niet, zij komen slechts voor als gereedschap in het heiligdom. De stukken brood weekte men ook in de schotel met vleesnat (vgl. Matth. 26: 26. Mark. 14: 20, 22. Luk. 22: 19. Joh. 13: 26. 1 Kor. 11: 24). Het gebraad ontleedde de huisvader met een groot mes en legde het dan voor (1 Sam. 1: 4).

Wijn. Niet alleen na het eten (zoals bij de Egyptenaren, Perzen, Grieken), maar ook nu en dan tussen het eten werd er wijn gedronken.

Besluit. Gelijk het eten met zegenbeden en handen wassen begon zo word het ook met dankgebed en wassen van de handen besloten.

Feestmaal, gastmaal. Een feestelijke maaltijd of een gastmaal (mischteh genoemd, omdat drinken er de hoofdzaak van was, vgl. 1 Sam. 25: 36. 2 Sam. 13 : 28. Esth. 1: 7 v. Jes. 5 : 12v, 22. Amos 6 : 6. Dan. 5 : 1. 1. Zie ook Makk. 16: 16) werd gehouden bij dankoffers, nadat enige vetstukken op het altaar waren verbrand en aan de priester borst en rechterschouder was gegeven, van het vlees dat dan over bleef (Deut. 12: 6 v.; 27: 7), of op dezelfde of op de volgenden dag met bijvoeging van de familie, en van de Levieten (Deut. 12: 12, vgl. 1 Sam. 9: 13, 22. 1 Kon. 1: 9; 3: 15. Zef. 1: 7).

Aan de drie hoge feesten waren feestmaaltijden verbonden (vgl. Tob. 2 : 1), alsmede met het brengen van de tienden (Deut. 14: 26, 28), om de 3 jaar in elke woonplaats, waarbij dan de Levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen genodigd werden; bij het vaststellen van een verbond (Gen. 26 : 30; 31: 54). Bij bruiloften werden familiefeesten gehouden, die met maaltijden verbonden waren (Gen. 29: 22. Richt. 14: 10 vv. Esth. 2 : 18. Tob. 8 : 19 vv.; 11: 20. Matth. 22: 2 vv. Joh. 2: 1 vv.); vaak gedurende 7 tot 14 dagen bij het spenen van kinderen (Gen. 21 : 8); op geboortedagen (Gen. 40: 20. Job 1: 4. Hos. 7: 5. Matth. 14: 6), bij het scheren van de schapen (1 Sam. 25 : 2, 36. 2 Sam. 13: 23), bij de wijnoogst (Richt. 9 : 27), bij de bouw van een huis (Spr. 9 : 1 vv.), na begrafenissen (2 Sam. 3: 35. Jer. 16 : 7. Hos. 9: 4, 'brood der bedroefden', Tob. 4: 18), bij bezoek, ontvangst en afscheid van gasten, gastvrienden (Gen. 18 : 6 vv. ; 19 : 3. 2 Sam. 3: 20; 12: 4. 2 Kon. 6: 23. Tob. 7 : 9; 8: 20v. 1 Makk. 16 : 15. 2 Makk. 2 : 28. Joh. 12: 2), ter ere van een of ander persoon (Est. 5: 8. Luk. 5: 29), bij andere vrolijke gelegenheden (Est. 9 : 8. Luk. 15 : 23 vv.).

Koninklijke maaltijden duurden volle dagen; Ahasveros gaf aan zijn rijksgroten een maaltijd die 180 dagen duurde en daarna nog 7 dagen voor het volk (Est. 1: 3 vv.). Het toebereiden van zulke maaltijden kostte veel arbeid (2 Makk. 2: 28). De gasten werden door knechten genodigd (1 Sam. 9: 22, Spr. 9: 3. Tob. 8: 21. Matth. 22 : 3 vv. Joh. 2: 2), ook wel afgehaald nadat de toebereidselen klaar waren (vgl. Matth. 22 : 4. Luk. 14: 17). Over de eerbewijzen die daarbij plaats vonden, kussen, wassen van de voeten, zalven enz. (Tob. 9 : 8. Luk. 7: 38-44. Joh. 12 : 3 vgl. Ps. 23: 5. Amos 6 : 6), zie de artikelen Bezoek, Voetwassing, Gast, Kus, Zalven.

Tot het houden van grotere gastmalen hadden de rijken en aanzienlijken bijzondere eetzalen. Aan tafel werden de gasten door de heer des huizes naar een bepaalde rangorde geplaatst (Gen. 43 ; 33. 1 Sam. 9 : 22. Luk. 14 : 8. Matth. 12: 39. Joh. 13 : 28) en de porties voorgelegd (1 Sam.1:4. 2 Sam. 6 : 19. 1 Kron. 15: 3), en aan die gasten aan wie hij grotere eer wilde bewijzen, grotere delen (zo Jozef aan Benjamin het vijfdubbele, Gen. 43: 34), en betere stukken, bijvoorbeeld lenden of schouderstukken (Ezech. 24: 4. 1 Sam, 9: 24).

Bij grote gastmalen was een en ander opgedragen aan een bepaalde spijsmeester, architriclinos (Joh. 2: 8). Dit was een eerambt, gewoonlijk door een vriend van de gastheer vervuld (Sir. 32 : 1), in de oorspronkelijke tekst: wanneer men u tot opzicht bij een gastmaal heeft gemaakt, verhef u daar niet op, stel u met de gasten gelijk, zorg goed voor hen, en neem dan uw plaats in, enz. Meerdere regels voor gasten, zie Sir. 31 : 12-32: 17. Hoe meer gasten, des te groter de roem van de gastheer, en te heerlijker het gastmaal (Gen. 29 . 22. 1 Sam, 9: 22. 1 Kon. 1: 9, 25. Luk. 5: 29; 14 : 16).

Bij grote gelagen waren de geslachten gescheiden, ten minste bij de Perzen (Est.  1: 9). Niet aldus, naar het schijnt, bij de wellustige Babyloniërs (Dan. 5: 3). Bij de Israëlitische familiefeesten echter komen altijd beide geslachten tezamen (Deut. 12: 12. Joh. 2: 1; 12: 3).

Bij zulke feestelijke maaltijden werden de kostbaarste spijzen en dranken (Joh. 2: 1 vv. Amos 6: 4. Tob, 8: 21, beeldsprakig Ps. 23:5. Jes. 25: 6), in de kostbaarste eet- en drinkschalen (Esth. 1: 6 vv.) opgedragen.

Ongezuurde broodkoeken (Gen. 19 : 3) en een gebraden schaap (2 Sam. 12: 4, Tob. 7: 9), of kalf (Gen. 18 : 5 vv. Luk. 15: 23) maakten in de oude, eenvoudige tijd, gelijk nog heden ten dage bij Bedoeïenen, de voornaamste bestanddelen van de maaltijd uit.

Gezang en muziek, ook dans (2 Sam. 19 : 35. Ps. 69: 13, Jes, 5: 12. Amos 6: 5. Sir. 32: 7. Matth. 14 : 6. Luk. 15 : 25) dienden ter verhoging van de vreugde aan de maaltijd. Het onderhoud werd door allerlei raadsels en scherts verlevendigd. Later schijnt, in navolging van de Griekse zeden, het bekransen van het hoofd ook bij de Joden gewoonte geworden te zijn (Wijsh. 2 : 8).

Nooit en nergens heeft in de oude tijd bij de maaltijden zoveel uitgelatenheid geheerst als ten tijde van de apostelen bij de Grieken en vooral bij de Romeinen, terwijl de rijkere Joden ten tijde van Jezus het voorbeeld volgden dat hun door hun overheersers, en vooral door de Herodianen gegeven werd (Matth. 14: 6).

Ontucht, afgoderij. Bij de heidense volkeren in het Oosten ging allerlei ontucht met de offermaaltijden gepaard (Exod. 32 : 6. Num, 25: 2), zodat de wet er ernstig tegen waarschuwt (Exod. 34: 15). Dit vond ook plaats in het weelderig Korinthe (1 Kor, 8 : 10; 10: 20 v.); daarom waarschuwt Paulus daaraan geen deel te nemen, en bestraft alle wellustige drinkgelagen, nachtbraken en optochten ter ere van de wijngod Bacchus (Rom. 13: 13. Gal. 5: 21. Ef. 5: 18).

Enghartige beperking. Daarentegen berispt de Heiland door woord en voorbeeld een uit hoogmoed en farizeïsche eigengerechtigheid voortkomende enghartige beperking van het disgenootschap (Matth. 9: 11. Luk. 5: 30; 14: 12; 15: 2, Joh. 4 : 9).

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Maaltijd. De tekst van dit lemma is op 4 juli 2019 onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. VanDale.nl, geraadpleegd 4 juli 2019.