Hoofdmenu openen

Een demon (Gr. δαιμονιον daimonion, δαιμων daimon; Lat. daemon) is een boze niet-menselijke geest. Demonologie is de studie, theorie en/of kennis aangaande demonen. Demonen kunnen mensen beïnvloeden en zelfs bezetten. Ze staan onder de heerschappij van satan en wijken voor de macht van Jezus, de Zoon van God.

Over bezetenheid, zie Bezetenheid, voor het hoofartikel over dit onderwerp.

Inhoud

Woorden

Gr. Daimoon. Het Griekse woord in het Nieuwe Testament is daimoon, afgeleid van het werkwoord daiomai = verdelen.

In het Hebreeuws van het Oude Testament komen twee woorden voor een demon voor: shed en sair.

Hebr. Shed. Het woord shed betekent "vernietiger, verdelger, geweldenaar". Het komt alleen voor in Deut. 32:17 en Ps. 106:37.

De 32:17 Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God; aan goden die zij niet kenden, aan nieuwe [goden,] die kortgeleden gekomen zijn, voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben. (HSV)

Ps 106:37 [Bovendien] offerden zij hun zonen en hun dochters aan de demonen. (HSV)

De Statenvertaling heeft 'duivelen', de NBG51-vertaling heeft 'boze geesten'. Hebr. Sair. Het tweede woord, sair, betekent 'ruw, harig"en verwijst gewoonlijk naar een (geiten)bok. Op enkele plaatsen verwijst het naar een veldgeest of bokvormig wezen (sater), waarachter een demon schuilgaat. Voorbeeld:

Le 17:7 Zij mogen hun offers niet meer aan de demonen brengen, waar zij als in hoererij achteraangaan. Dit is voor hen een eeuwige verordening, [al] hun generaties door. (HSV)

Le 17:7 En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. (SV)

Le 17:7 En zij zullen hun offers niet meer brengen aan de veldgeesten, die zij overspelig nalopen. Een altoosdurende inzetting zal dit voor hen zijn in hun geslachten. (NBG51)

Jerobeam stelde priesters aan voor de demonen.

2Kr 11:15 Hij had voor zichzelf priesters aangesteld voor de offerhoogten, voor de demonen en voor de kalveren die hij gemaakt had. (HSV)

2Kr 11:15 En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. (SV)

2Kr 11:15 Want hij stelde zich priesters aan voor de hoogten, voor de veldgeesten, en voor de kalveren die hij gemaakt had. (NBG51)

2Kr 11:15 Jerobeam had namelijk zelf priesters aangesteld voor de offerplaatsen en voor de bokken, en ook voor de stierenbeelden die hij had laten maken. (NBV2004)

De vertaling van Obbink heeft 'woestijngeesten'. De NBV2004 heeft 'bokken'. De Leidse vertaling heeft 'satyrs'. De Naardense vertaling heeft 'saters'. Hieronder zien we dat in Jes. 13:21 en 34:14 de Herziene Statenvertaling kiest voor 'bok' en de NBG51 voor 'veldgeest' en 'nachtspook'.

Jes 13:21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. (SV)

Jes 13:21 maar hyena’s zullen er legeren en hun huizen zullen vol uilen zijn; struisvogels zullen daar wonen en veldgeesten daar rondhuppelen, (NBG51)

Jes 13:21 Maar wilde woestijndieren zullen daar neerliggen. Hun huizen zullen vol zitten met huilende uilen; struisvogels zullen er wonen en bokachtigen zullen er rondspringen. (HSV)

Jes 34:14 En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden [daar] ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden. (SV)

Jes 34:14 Hyena’s treffen daar wilde honden aan, veldgeesten ontmoeten elkander; ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vinden. (NBG51)

Jes 34:14 Wilde woestijndieren zullen [daar] hyena’s tegenkomen, de bok zal naar zijn metgezel roepen; ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen en voor zichzelf en rustplaats vinden. (HSV)

Het is te betreuren dat de Statenvertalers en de vertalers van de Engelse King James vertaling voor het Hebreeuwse 'shed' en het Griekse 'daimon' geen gebruik hebben gemaakt van het woord 'demon' in plaats van 'duivel', waarvoor een ander Grieks woord is: διαβολος, diabolos, dat 'aanklager' betekent. De Latijnse Vulgaat-vertaling heeft 'daemon'. De Herziene Statenvertaling heeft 'demon'.

Mt 8:31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen. (SV)

Mt 8:31 De demonen smeekten Hem: Als U ons uitdrijft, sta ons [dan] toe dat wij in die kudde varkens gaan. (HSV)

Het woord diabolos wordt in het Nieuwe Testament alleen gebruikt in het enkelvoud en verwijst naar de duivel – satan – doch er zijn veel demonen.

Boze en onreine geesten

De Schrift maakt duidelijk dat demonen boze en onreine geesten zijn:

Opb 16:13 En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen als kikkers; Opb 16:14 want het zijn geesten van demonen die tekenen doen en die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige. (TELOS)

De boze geesten die zoveel mensen bezet hadden toen de Heer op aarde was, waren demonen, en uit de vermelde gevallen leren we veel aangaande hen. In de synagoge te Kapernaüm, waar Jezus leerde, openbaarde zich een onreine geest in een bezoeker.

Mr 1:23 En terstond was er in hun synagoge een mens met een onreine geest en hij riep de woorden uit:  Mr 1:24 Wat hebben wij met U te maken, Jezus, Nazarener? Bent U gekomen om ons te verderven? Ik weet Wie U bent: de Heilige van God. Mr 1:25 En Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg en ga uit van hem. Mr 1:26 En de onreine geest liet hem stuiptrekken en ging met luider stem roepend van hem uit. Mr 1:27 En zij stonden allen verbaasd, zodat zij zich onder elkaar aldus afvroegen: Wat is dit? Welke nieuwe leer is dit? Want met gezag gebiedt Hij zelfs de onreine geesten en zij gehoorzamen Hem! Mr 1:28 En het gerucht over Hem ging terstond overal uit in de hele omgeving van Galilea. (TELOS)

Deze geest sprak door de mond van de bezetene. Hij wist wie Jezus was en erkende dienst macht. Hij wist van de straf die hem in de toekomst wacht (vers. 24). Hij beheerste niet alleen de tong, maar ook het lichaam van de bezetene: hij liet hem stuiptrekken (vers 26).

Bezetenheid gaat verder dan beïnvloeding. De satan en zijn engelen (demonen) kunnen mensen beinvloeden zonder hen te bezetten.

De Farizeeën zeiden dat de Heer demonen uitdreef door Beëlzebul, de overste van de demonen. De Heer legde dit als 'Satan uitwerpen door satan' uit, waardoor wij leren dat de demonen dienaren van Satan zijn, en dat Satan als een sterke man moet worden gebonden voor zijn koninkrijk kan worden binnengevallen, Mt. 12:24-29.

Sterkte

De demonen, tenminste sommigen van hen, waren ook sterken, wat gebleken is door hun behandeling van bezetenen en door de kracht die ze bewezen door zeven mannen te verwonden en te doen vluchten, Hand. 19:16.

Hnd 19:15 De boze geest echter antwoordde en zei tot hen: Jezus ken ik wel en van Paulus weet ik; maar u, wie bent u? Hnd 19:16 En de mens in wie de boze geest was, sprong op hen af en overmeesterde hen beiden en overweldigde hen, zodat zij naakt en gewond uit dat huis wegvluchtten. Hnd 19:17 Dit nu werd bekend aan allen die in Efeze woonden, zowel Joden als Grieken; en vrees overviel hen allen, en de naam van de Heer Jezus werd groot gemaakt. Hnd 19:18 En velen van hen die geloofden, kwamen hun daden belijden en bekendmaken. (TELOS)

"Hen beiden" is misschien "Hen allen"[1], de zeven Joodse bezweerders, zonen van een Joodse overpriester (Hand. 19:14).

Met rede begiftigd

We weten ook dat ze redelijke, d.i. met verstand en redeneervermogen begiftigde wezens zijn, want ze kennen de Heer Jezus en bogen terstond voor Zijn gezag. Ze weten ook dat hun straf te wachten staat: sommigen vroegen de Heer tot Hij tot hen was gekomen om hen vóór de tijd te pijnigen, Matth. 8:29.

Mr 1:34 En Hij genas velen die aan allerlei ziekten leden, en vele demonen dreef Hij uit; en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij wisten Wie Hij was. (TELOS)

Hun kennis

In de confrontatie met de Heer Jezus geven zij er blijk van Hem te kennen: zij noemen Hem 'de Heilige van God', Luc. 4:34, 'de Zoon van God', Luk. 4:41. Ze weten dat Hij de Christus is, Luk. 4:41, en dat hij hen eens zal verderven (in de hel), Luc. 4:34.

Lu 4:33 En in de synagoge was een mens die de geest van een onreine demon had;  Lu 4:34 en hij schreeuwde uit met luider stem: Ach, wat hebben wij met U te maken, Jezus, Nazarener? Bent U gekomen om ons te verderven? Ik weet Wie U bent: de Heilige van God.  (TELOS)

Lu 4:41 En er gingen van velen ook demonen uit, terwijl zij de woorden riepen: U bent de Zoon van God! En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was. (TELOS)

De boze geest die de Joodse bezweerders, zonen van een overpriester, toesprak, zei Jezus te kennen van van Paulus weet te hebben.

Hnd 19:15 De boze geest echter antwoordde en zei tot hen: Jezus ken ik wel en van Paulus weet ik; maar u, wie bent u? Hnd 19:16 En de mens in wie de boze geest was, sprong op hen af en overmeesterde hen beiden en overweldigde hen, zodat zij naakt en gewond uit dat huis wegvluchtten. Hnd 19:17 Dit nu werd bekend aan allen die in Efeze woonden, zowel Joden als Grieken; en vrees overviel hen allen, en de naam van de Heer Jezus werd groot gemaakt. Hnd 19:18 En velen van hen die geloofden, kwamen hun daden belijden en bekendmaken. (TELOS)

Verleidende geesten

We worden vermaand geesten, valse profeten, die tot ons komen te beproeven: "Geloof niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.", 1 Johannes 4:1. Met deze vermaning stemt de mededeling overeen dat "in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen van demonen." 1Tim. 4:1.

Spiritisten en theosofen hebben contact met verleidende geesten en worden door hen geleerd.

Liefdeloos

Demonen zijn liefdeloos ten opzichte van mensen (en dieren). Ze maken mensen ongelukkig. Een vrouw uit de streken van Tyrus en Sidon was bedroefd over de toestand van haar dochter, die "ernstig bezeten" was. De Heer Jezus maakte haar dochter gezond.

Mt 15:22 En zie, een Kananese vrouw die uit dat gebied kwam, riep de woorden: Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten. (... ) Mt 15:25 Zij nu kwam en huldigde Hem en zei: Heer, help mij! (...) Mt 15:28 Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt. En haar dochter werd gezond van dat uur af. (TELOS)

De bezetene in het land van de Gadarenen sloeg zichzelf met stenen. De Heer Jezus bevrijdde hem, die door meerdere demonen beheerst werd.

Mr 5:5 En hij was altijd, nacht en dag, in de graven en op de bergen en schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen. (TELOS)

De demonen trokken daarop in de aanwezige varkens, die zich vervolgens in de zee storten.

Demonen en natuurverschijnselen

God draagt, onderhoudt  en bestuurt de waarneembare schepping. En onder Gods toelating speelt zijn tegenstander, satan, ook een rol van veroorzaker van natuurfenomenen. Dat geest op stof kan inwerken, bewijzen wijzelf. Onze onstoffelijke geest staat in wisselwerking met ons stoffelijk lichaam.

Boze geesten kunnen aardse fysische gebeurtenissen beinvloeden. Satan sloeg Job met boze zweren: "Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe." (Job. 2:7) Ook de eerdere rampen die Jobs veestapel en kinderen overkwamen, lijken door satan veroorzaakt te zijn. God gaf hem tijdelijk zulk een vrijheid van handelen ten opzichte van Job.

De occulte tovenaars van Egypte konden staven in slangen veranderen, water in bloed veranderen en een kikkerplaag veroorzaken.

Het Beest uit de aarde zal vuur uit de hemel laten neerdalen op de aarde (Opb. 13:13).

Afgoderij en demonen

De Schrift openbaart dat afgoderij in wezen aanbidding van demonen is, de afgod zelf is niets. "Ze offerden aan demonen (Hebr. shed), niet aan God," Deut 32:17; 1 Kor 10:19,20. "Zij zullen niet meer hun offers aan demonen (Hebr. sair) brengen.", Lev. 17:7 en Opb. 9:20. Jerobeam was zo diep gezonken omdat hij priesters had aangesteld voor de demonen (Hebr. sair) en voor de kalveren die hij gemaakt had, 2 Kronieken 11:15. Sommige Israëlieten offerden hun zonen en hun dochteren aan de demonen (Hebr. shed).", Ps. 106:37. Achter (de aanbidding van) afgoden en afgodsbeelden zitten boze, onreine geesten, zodat het zedelijk onmogelijk is om gemeenschap te hebben met de Heer Jezus en met deze demonen, 1 Kor. 10:19-21.

De 32:16 Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde [goden], met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt. De 32:17 Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God; aan goden die zij niet kenden, aan nieuwe [goden], die kortgeleden gekomen zijn, voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben. (HSV)

'Middelaars'?

Oude filosofen spraken van demonen heel anders dan de manier waarop ze worden beschreven in de Schrift. Zo Plato zegt: "Elke demon is een middenwezen tussen God en het sterfelijke. God is wordt niet direct benaderd door de mens, maar alle handel en verkeer tussen goden en mensen wordt uitgevoerd door de bemiddeling van demonen." Dit denkbeeld, dat God benaderd kan worden door middel van demonen of halfgoden, is een leugen van satan. Op een vergelijkbare manier bidden de rooms-katholieken tot de Maagd en de heiligen opdat deze voor hen pleiten.

Gezag en macht van Jezus

Demonen zijn, niettegenstaande hun bewegingsvrijheid en mogelijkheden, onderworpen aan het gezag en de macht van Jezus. Een geval waaruit dit blijkt deed zich voor in de synagoge te Kapernaüm.

Mr 1:23 En terstond was er in hun synagoge een mens met een onreine geest en hij riep de woorden uit: Mr 1:24 Wat hebben wij met U te maken, Jezus, Nazarener? Bent U gekomen om ons te verderven? Ik weet Wie U bent: de Heilige van God. Mr 1:25 En Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg en ga uit van hem. Mr 1:26 En de onreine geest liet hem stuiptrekken en ging met luider stem roepend van hem uit. Mr 1:27 En zij stonden allen verbaasd, zodat zij zich onder elkaar aldus afvroegen: Wat is dit? Welke nieuwe leer is dit? Want met gezag gebiedt Hij zelfs de onreine geesten en zij gehoorzamen Hem! Mr 1:28 En het gerucht over Hem ging terstond overal uit in de hele omgeving van Galilea. (TELOS)

De geest erkent impliciet Jezus' macht om hem te verderven (vers 24). Jezus bestraft deze demon en drijft hem uit. De geest moet gehoorzamen. De Heer gebiedt.

Mr 1:34 En Hij genas velen die aan allerlei ziekten leden, en vele demonen dreef Hij uit; en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij wisten Wie Hij was. (TELOS)

Toekomst

In een toekomstige tijd, wanneer God Zijn oordelen over de aarde zal brengen, zullen de mensen zich niet bekeren, maar demonen en allerlei afgoden blijven aanbidden, Opb. 9:20. De geesten van demonen zullen door tekenen de koningen van de aarde verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God, Opb. 16:14. En Babylon, het valse godsdienstige stelsel van de eindtijd, zal zijn "de woonplaats van demonen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een schuilplaats van alle onrein en verfoeilijk gevogelte.", Opb 18:2.

Wanneer Jezus zijn vrederijk vestigt op aarde, zullen de demonen zullen worden opgepakt en in de hel, die voor hen en de satan is bereid, worden geworpen. Ze worden 'verdorven' in de hel. Ze weten thans dat hen deze straf te wachten staat.

Mr 1:24 Wat hebben wij met U te maken, Jezus, Nazarener? Bent U gekomen om ons te verderven? Ik weet Wie U bent: de Heilige van God. (TELOS)

Bron

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Demon. Hieruit is op 16 nov. 2012 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

Voetnoot

  1. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982), voetnoot.